Maalkèpke of Móenelap?

Ons lokaal dialect is levendiger dan ooit. Niet alleen brengen wij wekelijks stukken van de Snaat maar mensen als Raf Vanmechelen (den Truineer) houden het plat Sintruins actueel met dialectversies voor typische coronawoorden.

Zo lanceerde Raf Vanmechelen de term maalkèpke de Truiense vorm voor het woord mondmasker. Maar is dat wel het meest correcte woord? Wij vroegen het aan André Pictoel, voorzitter van het Neigemenneke.

“Maalkèpke veing ich nè slecht en da wit al voul gebrùikt….. ma ich veing móenelap zeiker zoe goet, ma ich ep da nog nè geuurd. Maal is mieër in het AN muil, grote mond of een maal lache terwijl móene kòtter be et wòòt in het AN mond lie. Dus e móenelèpke of e móenekèpke of e móenemaske zoun schóender zin.”

En zo houdt ons dialect toch minstens twee unieke woorden over aan de coronacrisis.

Heb jij Truiense versies van typische coronawoorden die je vaak gebruikt? Laat het ons zeker weten.